Opiniestukken uit De Standaard 

De gouden munt (De Standaard, maart 2016)

Ruth Lasters is romanschrijver en dichter en werkt daarnaast als gelijke-kansen-coördinator en leerkracht in een middelbare school in Borgerhout met TSO- en BSO-leerlingen. Zij reageert op de aankondiging van minister Crevits van onderwijs die de leerplannen wil wijzigen om ze beter af te stemmen op de noden van de maatschappij. Ze pleit ervoor om het taalonderwijs van beroepsleerlingen niet langer te beperken tot ‘louter functionele taalvaardigheid’, zoals het op dit moment in de leerplannen beschreven staat. Ook deze leerlingen hebben behoefte aan ‘gouden munten’ die hen in staat stellen om mondige mensen te worden die volwaardig kunnen participeren.

Het begon met een ogenschijnlijke lapsus. Tijdens de nabespreking van een film gebruikte ik in een impuls het woord ‘anachronisme’ in een klas vol beroepsleerlingen. Terwijl ik hen de betekenis van de term uitlegde, dacht ik er meteen bij dat ik als gelijke-kansen-coördinator toch beter moest weten en mijn taalregister aan mijn doelgroep diende aan te passen. Zelfs Hamed, de meest gedreven leerling van 5 Kantoor, greep verveeld naar zijn gsm, meende ik, wat mijn ongepaste, te complexe woordkeuze alleen maar scheen te onderstrepen. Toen ik hem verzocht om zijn mobieltje weg te stoppen, zei hij me dat hij het alleen genomen had om iets te noteren. En werkelijk, een paar minuten later verliet hij de middagactiviteit met mijn definitie van het woord ‘anachronisme’ in zijn gsm die in een peperdure Seven jeans spande.
Kansarmoede heeft het chicste, duurste uniform in een klas als 5 Kantoor vol Borgerhoutse jeugd met designersweaters en Pradasneakers, zo’n drie keer prijziger dan het gemiddelde docentenschoeisel. Maatschappelijke onzekerheid hult zich in blingbling. Daaraan denkend, vermoedde ik meteen dat het spontaan noteren van een woord als ‘anachronisme’ niet alleen duidde op Hameds ijver, maar dat er meer achter zat. Toen er een week later commotie in een klas ontstond doordat een leerling een splinternieuwe iPhone 6 Plus bij bleek te hebben, die als een pasgeboren cavia werd doorgegeven en bepoteld, kon ik de aandacht van mijn jongens alleen maar winnen door hoger te bieden. Ik zei hen dat ik een iPhone 7 had.
‘Lassie vangt!’ hoorde ik iemand mijn bijnaam gebruiken. ‘Kan niet, mevrouw, de iPhone 7 is nog niet op de markt!’ riep iemand anders. ‘Oké, toegegeven, ik heb geen volledige iPhone 7, maar wel iets wat er zeker in zal zitten. Zoals jullie daarnet zelf zeiden, zitten er meerdere milligrammen goud in een iPhone en dit is goud’, zei ik, naar het begrip ‘déjà vu’ wijzend, dat ik net op bord had geschreven tijdens het werken rond een tekst. Opnieuw geroezemoes. Natuurlijk waren ze niet onder indruk van mijn poging om taal voor edelmetaal te verslijten. Leerkrachtenlulkoek. We achterhaalden samen de betekenis van de term en daar staarden ze al terug naar het technologisch hoogstandje van Apple dat nog steeds werd rondgegeven. Ik had niet de indruk dat ze nog naar me luisterden toen ik hen de opdracht gaf eens te vragen aan de leerkracht van het volgende lesuur of hij wel eens een déjà vu had en om zijn reactie op hun vraag te observeren.

‘Meneer Geysens zegt dat hij soms een déjà vu heeft terwijl hij met zijn hond aan het wandelen is. Duhh?’ snauwde een ongelovige inzake de goudwaarde van dat woord de volgende dag. Andere leerlingen hadden wel degelijk Geysens’ enthousiasme over hun woordenschat opgemerkt en reageerden niet geheel ongeïnteresseerd toen ik hun beloofde om voortaan tijdens elke middagactiviteit zo’n ‘gouden munt’ te laten vallen, zo’n verbaal statussymbool.

Het meest frapperende aan het experiment was echter dat de echte gouden munten de bronzen munten bleken te zijn. Pas na het hun aanreiken van enkele “dure” woorden zoals ‘anachronisme’ en ‘stigmatiseren’ werd het me duidelijk hoeveel andere, veel courantere woorden zoals ‘compensatie’, ‘imago’, ‘dilemma’, ‘orgelpunt’, ‘viseren’ en ‘compromis’ eveneens blinde vlekken voor hen waren.

In het leerplan Project Algemene Vakken (PAV) van de derde graad BSO zijn er absurd veel domeinen zoals rekenvaardigheid en organisatiebekwaamheid die allemaal in 4 lestijden per week moeten worden behandeld. Mede daardoor beperkt het taalgedeelte zich tot louter ‘Functionele taalvaardigheid’. De lexicale eindtermen zijn zeer vaag, haast vrijblijvend omschreven als ‘het hebben van een gevarieerde woordenschat.’ Daarnaast valt op dat beroepsleerlingen vanaf de tweede graad systematisch worden uitgesloten van verplichte ‘emotieve tekstsoorten’, die als ‘doel hebben te ontroeren’, terwijl het leerplan Nederlands ASO alle tekstsoorten voorschrijft op alle mogelijke verwerkingsniveaus.
Bestaat er iets elitairders dan ontroering, het bindmiddel van onze soort, slechts officieel te reserveren voor de zogezegde bollebozen? Een leerplan dat alleen het werken met ‘informatieve, persuasieve en prescriptieve tekstsoorten’ bindend maakt, betekent zoveel als een heel deel van de bevolking afsnijden van taalemotie en -plezier, precies dat wat essentieel is voor een natuurlijke, continue verbale en ook cognitieve ontwikkeling. Zo blijft het Nederlands van beroepsleerlingen willens nillens – de goede bedoelingen van het ministerie van onderwijs staan hier geenszins ter discussie – een smalle gang vol gesloten deuren, waarachter interessante toneelstukken, politieke debatten en filmdialogen kwetteren in een jargon doorspekt met door hen onbegrepen termen, die daarom stuk voor stuk uiterst pijnlijk gaan betekenen: ‘niet bestemd voor ons’. Geachte minister, beste mevrouw Crevits, reik in de nieuwe leerplannen louter functioneel taalgebruik niet meer bedrieglijk aan als een passe-partout als het is bewezen dat dit maar een beperkte maatschappelijke toegang verschaft. Reik ook beroepsleerlingen de dikst mogelijke sleutelbos aan, die misschien voor sommige van hen deels ongebruikt blijft, maar die bij elke stap even luid rinkelt als de bos van alle anderen in de gang.


Leeuwenjacht (De Standaard, maart 2016)

Schrijfster Ruth Lasters werkt als gelijkekansencoördinator en leerkracht in een Borgerhoutse middelbare school. Zij pleit voor meer oog voor de vorm, voor de ‘manier waarop’ in de strijd tegen radicalisering. Omdat die problematiek net alles te maken heeft met de vorm, met welke oogopslag we naar elkaar kijken.

Ik weet niet of er leerkrachten zijn bij wie het ‘masterplan’ voor de hervorming van het secundair onderwijs werkelijk visioenen opwekt over proclamaties waarop geen enkele leerling ontbreekt. Sinds het échte toverwoord ‘maximumfactuur’ uit het dossier verdween, zijn zulke droombeelden in onze leraarskamer eerder zeldzaam. Het begrenzen van de schoolkosten, de oplossing voor een evenwichtige socio-economische mix van leerlingen, noodzakelijk tegen stereotiep denken en radicalisering van welke zijde ook, blijkt quasi onbespreekbaar voor het middelbaar onderwijs. Voor heel wat personeelsleden van zogenaamde concentratiescholen betekent de onderwijshervorming daardoor niet meer dan het autosalon van de carrosserie. De motor mag dan wel voorbarig zijn geroofd, uiteindelijk willen ook wij – we zullen wel moeten – plaatsnemen in het model van de toekomst. Maar vraag ons niet om ook nog eens te doen alsof de wagen echt rijdt en wij allemaal samen vrolijk op reis gaan.

Leerkrachten zijn professionele opnieuwbeginners. Focussen op het nu in plaats van op wat gisteren misliep, is immers onontbeerlijk voor een goede klasinteractie. Velen van ons concentreren zich dan ook op het positieve van de onderwijshervorming, zoals de talentenstimulerende verbreding van de eerste graad. Voor uitputtende mentale robbertjes vechten zoals mevrouw Rutten en minister Crevits de voorbije periode, heeft een docentenkorps noch tijd noch energie te over. Hoe hard beide politica’s ook hakketakken, in onze leraarszaal zouden Crevits en Rutten waarschijnlijk verbouwereerd naast elkaar staan. Ze zouden vermoedelijk evenveel koffie morsen als ze, met een te volle kop van de fout ingestelde automaat naar de tafel lopend, zouden horen vertellen over onze jongens die steeds vaker hun haar chemisch laten ontgolven. Om er Italiaanser uit te zien, minder Maghrebijns, aangezien zij zich met hun eigen look vrijwel kansloos achten in onze maatschappij. Zo’n reactie op het toenemende racisme laat allicht geen van beiden onberoerd. Een tweede koffiespat op de vloer als zij ontzet zouden vernemen over modelleerlingen die alleen omwille van hun huidskleur in één semester vaker hun identiteitskaart moeten tonen op straat dan wij in ons hele leven. Of over Imane en Hakima, twee leerlingen die op woensdagnamiddag in een callcenter werken en die van hun baas aan de telefoon moeten zeggen dat ze Chantal en Annelies heten, terwijl hun collega’s hun eigen voornaam mogen gebruiken. Het lijdt geen twijfel dat zowel Crevits als Rutten meer dan genoeg automaatkoffie zou morsen om het etiket ‘oprecht betrokken’ opgekleefd te krijgen. Een label dat zelfs stevig zou blijven zitten als iemand hun kille profileringsdrang zou durven verwijten.

Als zij echter zelf labels moeten uitdelen, doen zij dit soms zo nonchalant dat hun inhoudelijk goede bedoelingen erdoor overschaduwd raken. Toen Rutten het in een recent interview in deze krant had over de prille leeftijd waarop kleuters bij voorkeur naar school gaan, zei ze: ‘Het ergerlijke is dat uw en mijn kinderen dat wel zullen doen, want wij beseffen hoe belangrijk onderwijs is.’ Zoiets stellen betekent niet gewoon ‘niet rond de pot kunnen draaien’ – wat Rutten koketterend over zichzelf zegt. Het is ronduit minachtend ten opzichte van een hele groep ouders over wie hier wordt gesuggereerd dat zij, in tegenstelling tot de ‘wij’ in de zin, het belang van onderwijs niet inzien. Dit terwijl er tal van socio-culturele drempels zijn waarom zij hun kind niet zeer vroeg naar school sturen. En nee, dit is geen semantische haarkloverij. Ruttens formulering staat gelijk met een veroordelende oogopslag jegens vele duizenden mensen, precies datgene waar onze almaar meer gepolariseerde maatschappij geen behoefte aan heeft.

Ook minister Crevits giet haar beste intenties mijns inziens soms in een ongelukkige format. Zij schreef afgelopen december een subsidie van 100.000 euro uit voor het project Connect dat op dit moment her en der van start gaat. Connect is een initiatief om jongeren ‘met een extreem risicogedrag zoals radicalisering te begeleiden in klas- en schoolverband.’ In een schoolse context betekent het zich richten op het veronderstelde risicogedrag van enkelingen zoveel als een leeuw trachten te doden door ‘Leeuw! Leeuw!’ te roepen. Begint een geslaagde leeuwenjacht niet juist met het verzamelen van iedereen binnen een en dezelfde beschermende vuurkring? Was het niet veel doeltreffender geweest om die 100.000 euro te besteden aan uitwisselingsprojecten tussen zogenaamde ‘witte’ en ‘gekleurde’ scholen? Aan ontmoetingen tussen BSO-ers en ASO-ers, tussen BUSO-ers en TSO-ers, tussen christelijke, islamitische, joodse en vrijzinnige jeugd? Op die manier kunnen jongeren vooroordelen over elkaar vervangen door genuanceerde ervaringen, essentieel om niet uit te groeien tot leden van één subgroep, maar tot vertegenwoordigers van onze hele soort. Als jongeren dan per se gelabeld moeten worden, laten we het dan meteen grondig doen en kleefpapier gebruiken dat de hele schoolgaande massa overtrekt en waarop niets dan ‘jeugd’ geschreven staat. In de strijd tegen radicalisering is het cruciaal om op school voldoende de raakpunten te benadrukken van al die leeftijdsgenoten die hoogdringend op regelmatige basis met elkaar moeten gaan communiceren. Alleen daarna kan de eenheidsverpakking werkelijk scheuren met het mooiste en ook veiligste geluid dat bestaat: dat van opengaande gelijke kansen.

Ruth Lasters

Wil jij meer weten over Ruth Lasters of heb je een vraag aan haar of wil je gewoon informatie opvragen? Neem dan contact met haar op via info@ruthlasters.be of ga door naar contact.

Ga naar contact

Ruth Lasters

info@ruthlasters.be

Contactgegevens van mijn uitgever

Uitgeverij Polis

polis.be
Adres
Bikschotelaan 230

Uitgeverij polis